De letters hebben hun tijd gehad.

Op de Boekkunstbeurs kocht ik een boekje dat ik inmiddels uit heb:

Eric Gill
Een verhandeling over typografie

‘An essay on Typography’ van Eric Gill verscheen oorspronkelijk in 1931, eigenhandig gezet (uit de letter Joanna) en gedrukt door Eric Gill en zijn schoonzoon Rene Hague in hun drukkerij Hague & Gill Ltd, High Wycombe.
Een licht herziene tweede uitgave verscheen in 1936 en werd onveranderd herdrukt in 1939.
In 1941 werd het boek opnieuw uitgegeven door J.M. Dent & Sons Ltd, Londen.
Deze laatste uitgave diende als basis voor de huidige vertaling.
Een Nederlandse vertaling van de hand van Jan Vermeulen verscheen in 1955 bij de Arbeiderspers onder de titel ‘Over Typografie’.
Deze nieuwe vertaling is het gezamelijke werk van Marc de Klijn, Peter van der Linde en Huib van Krimpen.
© 1986 Uitgeverij De Buitenkant, Amsterdam.

Wat is het voor een boek?
Wikipedia (vertaald uit het Engels):

An Essay on Typography is een boek uit 1931 van Eric Gill over de geschiedenis van de typografische kunst, de productie van teksten en de staat daarvan in de dertiger jaren. Het wordt vanaf de eerste publicatie gezien als een klassieker.

Eric Gill is zeker niet van onbesproken gedrag en ook op het boek
‘An essay on Typography’ is best een en ander af te dingen.
Neemt niet weg dat het interessant materiaal is.
Zijn stijl is sober, zijn commentaar op de overdaad in letterontwerp
(in de reclamewereld) is uitgesproken en in het boek bespreekt hij
zijn uitgebreid gebruik van het &-teken, hij gebruikt het
paragraafteken (¶) in de tekst zonder bijvoorbeeld op een nieuwe regel
te beginnen of in te springen.
Het niet uitvullen van de tekst tot volle regels en woorden inkorten
of met een kleiner lettertype zetten komt ook aan de orde.
Veel van zijn bevindingen zijn afgeleid uit Middeleeuwse,
met de hand geschreven werken en gewoontes.

Een paar citaten:

(Over regelbreedte en woordspatiëring)

Vastgesteld kan worden dat gelijkmatig spatiëren op zichzelf wenselijk is; dat ongelijke regellengten op zich zelf niet wenselijk zijn, dat klaarblijkelijk zowel gelijkmatig spatiëren als gelijke regellengte kan worden verkregen wanneer de zetbreedte meer dan vijftien woorden per tekstregel toestaat, maar dat de beste lengte voor het lezen niet meer dan 12 woorden is & dat het daarom beter is de werkelijk gelijke regellengte op te offeren dan het gelijkmatig spatiëren, hoewel een zeker compromis mogelijk is zodat een zichtbare gelijkmatige spatiëring kan worden verkregen zonder storende rafeligheid van de rechterzijde van de tekst. Met andere woorden, bij het hanteren van regels van 10-12 woorden is een absoluut gelijkmatige spatiëring mogelijk wanneer men de gelijke regellengte opoffert, maar aangezien dit in het algemeen een zeer rafelige rechterzijde tot gevolg heeft, kan de zetter een middenweg zoeken en zonder de spaties zichtbaar ongelijk te maken, de woordspaties in verschillende regels variëren om de rechterzijde niet onaangenaam ongelijk te maken. In ieder geval is het duidelijk dat de regel van 10-12 woorden en het gelijkmatig spatiëren tussen woorden op zichzelf van wezenlijk en van zeer hoog belang zijn, terwijl de gelijke regellengte niet van hetzelfde belang is en slechts verkregen kan worden bij een pagina van regels van 10-12 woorden wanneer de meer belangrijke zaken worden opgeofferd.

Pagina 119-120

(Over de opmaak van de bladspiegel)

We kunnen dus zeggen dat de algemene regel aldus behoort te zijn: een smal rugwit, een iets ruimer kopwit, een buitenwit minstens tweemaal zo breed als het rugwit (van één pagina) en een staartwit dat iets ruimer is dan de overige, de nauwkeurige afmetingen laten we aan het oordeel van de drukker over.

Pagina 143-144

(Over de opmaak van de bladspiegel)

¶ Bij een gewone pagina van octavo-formaat van 12½ cm breed en 19 cm hoog, & veronderstellend dat we de marges hebben bepaald op: rugwit 14 mm, kopwit 18 mm, buitenwit 25 mm, staartwit 31 mm, krijgen we een zetspiegel van 86 mm breed en 140 mm hoog (oftewel 34 regels van een 11 punts letter, compres gezet, op een breedte van 19 augustijn). Dit leidt tot een regel van 10 à 12 woorden in corps 11-een heel goede gemiddelde grootte voor een boek dat men in de hand houdt.

Pagina 144

Deze opmerkingen heb ik gebruikt om een soort raster te maken
voor op mijn proefpers.

 photo WP_20161203_004EricGillEenVerhandelingOverTypografie.jpg

Eric Gill, Een verhandeling over typografie. De marges van een bladspiegel.

Ik ben uitgegaan van een ruimte van anderhalve centimeter aan de rugzijde.
Dan is het kopwit 1,25R (= 1,875 centimeter), buitenwit 2R (= 3 centimeter)
en staartwit 2,25R (=3,375 cm).

 photo WP_20161203_007EricGillRaster.jpg

Het geplastificeerde raster dat ik op mijn proefpers leg zodat ik weet waar ik mijn tekst kan zetten als ik een pagina opmaak te grootte van een A4.


(Over de opmaak van de titelpagina)

¶ De titelpagina behoort uit hetzelfde lettertype te worden gezet als het boek en bij voorkeur in hetzelfde corps.

Pagina 145

(Over het begin van een boek)

Aldus zou bij het openslaan van het boek de eerste gedrukte pagina alleen titel en de naam van de uitgever bevatten, de volgende pagina zou de titel bevatten, de eventuele ondertitel of de inhoudsopgave & doorlopend op dezelfde pagina of bovenaan de volgende zou het boek zelf dan beginnen.

Pagina 146-147

(Over de moderne tijd)

Er bestaat geen vorm die intrinsiek lelijk is, geen kleur, geen klank geen geur. Een onaangename geur is eenvoudig een geur die wij ondergaan als kwalijk, of die we koppelen aan kwalijke dingen. Zo is het ook met kleuren en klanken. De lelijke kleuren van met anilineverf gekleurde weefsels zijn alleen lelijk omdat het menselijk oog geïrriteerd wordt door ononderbroken eentonigheid. De kleur van het neonlicht is op zichzelf een goede kleur; het stoort ons alleen zo omdat het mathematisch gelijkvormig is. Mathematische eenvormigheid is onverenigbaar met de menselijke geest; en wij zijn er afkerig van omdat het ons herinnert aan de ongeremde hebzucht van de ongelukzalige winkeliers die in onze financieel absurd chaotische tijd ons er niet toe kunnen overhalen hun armoedige koopwaar te kopen tenzij ze onze orgen volkomen verblinden. Het geluid van de claxon pijnigt onze oren – zo is het ook bedoeld- om ons voor erger te behoeden. Wanneer het zo zeldzaam was als de schreeuw van een pauw, dan zouden de associaties aangenamer zijn.

Pagina 162–163

(Maar niet heus)

De letters hebben hun tijd gehad. Voor spelling, taalwetenschap en zulke soort geleerddoenerij is in onze wereld geen plaats meer. De enige manier om de moderne letter te hervormen is haar af te schaffen.

Pagina 170

Leuk lezen en het zet je aan het denken.
Ook als je het vaak niet eens bent met Eric Gill.

Advertenties