Schuberts Winterreise (2)

Een meesterwerk ontleed
Ian Bostridge

Om een indruk te geven van de uiteenlopende onderwerpen en gedachten
die in het boek passeren een paar voorbeelden:

Dit is een elegante verwoording van een algemeen heersend idee over muziek, namelijk dat ze een speciaal vermogen heeft om de stemmingen en subjectiviteiten uit voorbije tijden op te roepen en samen te vatten, of het daarbij nu gaat om onze eigen individuele geschiedenis of die van andere culturen.
De gevoelens die worden opgewekt zijn mogelijk illusoir – maar daar valt tegen in te brengen dat als de gevoelens uit Schuberts tijd merendeels dood en begraven zouden zijn, we vast niet zo hevig geïnteresseerd zouden zijn in een werk als Winterreise.

Schuberts Winterreise, pagina 121.
Dit vond ik overigens een vreemde redenering.

Over de Romantiek als kunststroming en de invloed van die stroming op
de politiek en het Nationaal-Socialisme in het bijzonder:

Hiermee nam hij (Argusvlinder: Thomas Mann in Der Zauberberg) in toenemende mate afstand van de meningen die hij tijdens en direct na de oorlog had verkondigd, meningen die hij nu beschouwde als gevaarlijk romantisch – de fascinatie voor de dood, en de afkeer van democratie.

Schuberts Winterreise, pagina 151.

Bij hoofdstuk 5, de Lindeboom, een belangrijk hoofdstuk in het boek
en belangrijk symbool in de kunst, schreef ik het volgende:

Het verband tussen de liederen van Schubert en Mahler en Wagner.
De literatuur met Mann, Goethe, de psychologie van Freud.
Moeilijk.
Veel kennis van de Duitse cultuur nodig.

Bij hoofdstuk 6: Wasserflut:

Geweldige verhandeling die illustreert wat voor discussies er gaan
tussen topmuzikanten en wat er bij komt kijken
bij het bestuderen van klassieke muziek.
Ook over de tekortkomingen van het notenschrift.
Vergelijkbaar met ons schrift.

Zodra Julius (Argusvlinder: Julius Drake de pianist) de eerste maten van ‘Wasserflut’ inzette, begon de pianist in het publiek – Laten we hem A noemen – ongelovig in zijn muziek kijken.
Hij schudde zijn hoofd, keek zijn metgezel aan – laten we hem B noemen – en wees met een priemende vinger op de noten.
Ik herinner me niet hoe B reageerde, maar de genadeslag kwam toen A zich helemaal omdraaide om zijn artistieke onvrede kenbaar te maken, waarmee zichtbaar werd dat in de rij direct achter hem een andere beroemde pianist zat, C, die nogal onthutst leek door al die opschudding.
Wat was er aan de hand?

Schuberts Winterreise, pagina 174.

De status van de partituur in klassieke muziek is onderwerp van enorm veel filosofische haarkloverij en spijkers op laag water zoeken.
Maar ook al is het juist de partituur waarmee onze muzikale traditie zich onderscheidt van andere, waarschijnlijk zelfs van alle andere muziekculturen (jazz of Indiase klassiek bijvoorbeeld), toch is het de uitvoering die de muziek werkelijk doet klinken, met name in een cultuur als de huidige, waarin het zelf doorspelen van een partituur voor de meeste muziekliefhebbers een ideaal is dat intussen tot het verleden behoort.
De partituur is uiteraard meer dan domweg een recept, en ze legt uitvoerende musici een noodzakelijke en inperkende discipline op, iets om je tanden aan te scherpen(een discipline die de eigenaardigheden van spelers als Glenn Gould betekenis en zeggingskracht geeft).
Tegelijkertijd staan heel veel dingen die we als ‘realiseerders’ van de partituur moeten doen helemaal niet in die partituur, noch in woorden noch in notenschrift; het is die lacune die ‘interpretatie’ nodig maakt.
En ‘interpretatie’ is echt een heel ongelukkige term, want wat zich in die lacune afspeelt gaat veel verder dan interpretatie – essentiele zaken als kleur, timbre, timing, pauzes tussen stukken, absolute (eerder dan relatieve) geluidssterkte, enzovoort, enzovoort.
De uitvoering is een ontmoeting tussen de componist, de uitvoerder en de luisteraar, en alleen door die combinatie kan het werk opnieuw ontstaan.

Schuberts Winterreise, pagina 181 – 182.

Met name zangers hebben voortdurend te maken met de onexactheid van de notatie, omdat ze geen noten zingen, maar woorden, frasen en zinnen, waarbij de relatie tussen medeklinkers, klinkers en al dan niet beklemtoonde zinsdelen een voortdurend contrapunt oplevert met de kale achtsten, kwarten en halve en hele noten die op papier staan.
Dat is iets wat elke liedbegeleider moet leren – net als hoe belangrijk de rol van de adem is.

Schuberts Winterreise, pagina 182.

Heel hoofdstuk 8 (Ruckblick) zou ik op mijn blog kunnen aanhalen.
Maar dat doe ik niet.
Lees het prachtige boek en krijg een kijkje in de complexe
belevingswereld van een zanger van klassieke liederen.

Bij hoofdstuk 9 (Irrlicht) schreef ik:
Je zou een soort ‘Zomergasten’ willen zien of horen met Ian Bostridge
waarbij hij geïnterviewd wordt en aan de hand van geluidsfragmenten
en afbeeldingen of stukken film, de tekst hoofdstuk voor hoofdstuk
nog eens met de kijkers/luisteraars doorneemt.
Misschien een idee voor BBC klassiek.

Ik heb nog even op de website gekeken van BBC Radio 4.
Ze hebben inderdaad een serie van 4 uitzendingen gehad
waarin Ian Bostridge vertelt over zijn boek.
Dit was in het kader van de serie Book of the Week
Maar de audio files zijn niet meer beschikbaar via de BBC.

Dit alles maakt dat onze afwezige kolenbrander een meer dan symbolische rol speelt bij het begrijpen van de cultuur waaruit Winterreise is voortgekomen, ongeacht of Muller en Schubert zich ten volle bewust waren van zijn bezigheden en zijn toekomstig lot.
Enerzijds was hij een belichaming van een traditionele levenswijze die het landschap van Europa had getransformeerd en in belangrijke mate verantwoordelijk was voor de ontbossing die op haar beurt leidde tot een tekort aan houtskool en de winning van steenkool stimuleerde.
Tegelijkertijd was hij een markant type, mede doordat hij diep in de eeuwenoude wouden woonde – die zo belangrijk waren voor het Duitse zelfbeeld sinds de tijd van het Romeinse Rijk – dat echter op de grens van de moderne industriële tijd met uitsterven bedreigd werd.
Als je je een leven lang verdiept in een stuk dat zo complex en rijk aan betekenissen is als Winterreise, betekent dat dat je het op allerlei manieren tegen het licht houdt, om te begrijpen wat het werk in deze tijd voor ons kan betekenen, als een bericht in een fles die in 1828 in de culturele wereldzee is geworpen.
Wat heeft het te maken met alles wat ons tegenwoordig bezighoudt?

Schuberts Winterreise, pagina 236.

Volgens mij heeft de vertaler Frits van der Waa,
aan dit boek een enorme kluif gehad.
Wat mij betreft is hij er prima in geslaagd
een goed leesbaar verhaal op te leveren.
Of dat in het Engels ook zo was, weet ik niet.

IJskristallen en Winterreise liggen niet zo ver uit elkaar,
en van het een komt het andere…..

Van deze ‘abiogenese’- theorieen is die welke in de jaren tachtig van de 20e eeuw naar voren werd gebracht door de organisch chemicus en moleculair bioloog Graham Cairns-Smith het intrigerendst.
De theorie berust op het vermogen van minerale structuren om informatie betreffende de structuur van primitieve proto-organismen in codevorm vast te leggen – net als DNA dat doet, zij ket op een oneindig complexer niveau, voor organismen, van de eenvoudigste bacterie tot de homo sapiens.
Volgens Cairns-Smith zijn de eerste replicatoren kristallen geweest – geen ijskristallen, maar de microscopische silicaatkristallen in klei.
Binnen het rijk der mineralen, voordat er organische moleculen waren, bezaten alleen deze kristallen de complex, informatiedragende structuur die de kiem van het leven kan zijn geweest.
In zijn uitmuntend gepopulariseerde versie van zijn wetenschappelijk werk omschrijft hij het als volgt:

De eerste organismen bevatten geen genen.
Deze genen waren hoogstwaarschijnlijk anorganische, minerale microkristallen.
Ze kristalliseerden voortdurend in waterige oplossingen die gedurende lange periodes lichtelijk oververzadigd bleven, ergens nabij het aardoppervlak.

Schuberts Winterreise, pagina 279.

Deutsche Post, Schuberts Winterreise, pagina 318.

Over de hele wereld worden postbedrijven op deze manier omgevormd: geoptimaliseerd om voor bedrijven tegen minimale kosten de maximumhoeveelheid ongewenste post te bezorgen.
In het internettijdperk verstuurt de gewone burger minder post dan vroeger, maar dat is maar een deel van het verhaal van het verval van de posterijen.
Het terugdringen van de kosten van het verzenden van partijpost voor een handvol grote organisaties wordt bekostigd door het vervangen van fatsoenlijk betaalde postbodes door tijdelijke werknemers en het beknibbelen op de dagelijkse bezorging.

– James Meek, London Review of Books (2011)

Als we niet oppassen mag je het woord ‘postbedrijven’ vervangen
door de namen van alle instanties/organisaties die actief zijn
als semie-overheid en overheid.

 photo WP_20160610_001IanBostridgeWinterreiseDeutschePost.jpg

Ian Bostridge, Schuberts Winterreise – Een meesterwerk ontleed.


Dit was deel 2.

Advertenties