Gelezen: Radetzkymars

 photo WP_20160417_001JosephRothRadetzkyMars.jpg

Joseph Roth, Radetzkymars, zestiende druk juli 2014. Vertaald door W. Wielek-Berg. Vertaling herzien door Elly Schippers.

En de luitenant ging langzaam zijn zware gang. Het was drie uur in de middag. De kleine kooplieden wachtten mistroostig en verkleumd voor hun winkels op de schaarse klanten. Uit de werkplaatsen van de handwerkers kwamen vertrouwde en vruchtbare geluiden. In de smidse werd vrolijk gehamerd, bij de blikslager dreunde het hol, uit de kelder van de schoenmaker kwam haastig geklop en bij de timmerman zoemden de zagen. Alle gezichten en alle geluiden van de werkplaatsen kende de luitenant. Hij reed er elke dag tweemaal langs. Vanuit het zadel kon hij over de oude blauw-witte uithangborden kijken, waar zijn hoofd boven uitstak. Elke ochtend keek hij in de huiskamers op de eerste verdieping, hij zag de bedden, de koffiekannen, de mannen in hun hemd, de vrouwen met loshangend haar, de bloempotten op de vensterbank, gedroogde vruchten en ingelegde augurken achter versierd rasterwerk.
Nu stond hij voor de villa van dokter Demant. Het hek knarste. Hij ging naar binnen. De oppasser deed open. De luitenant wachtte. Mevrouw Demant kwam. Hij beefde een beetje. Hij herinnerde zich het condoleancebezoek aan wachtmeester Slama. Hij voelde de zware. vochtige, koude, slappe hand van de wachtmeester. Hij zag de donkere gang en de roodachtige salon. Hij proefde de muffe nasmaak van de frambozenlimonade. Ze is dus niet in Wenen, dacht de luitenant pas op het moment dat hij de weduwe zag. Haar zwarte japon verraste hem. Het was alsof hij nu pas ontdekte dat mevrouw Demant de weduwe was van de regimentsarts. Ook de kamer waar hij naartoe werd gebracht was niet de kamer waar hij gezeten had toen zijn vriend nog leefde. Aan de muur hing, zwart omfloerst, het grote portret van de dode. Het schoof steeds verder weg, net als de keizer in het casino, alsof het niet dicht bij de ogen en grijpbaar voor de handen was, maar onbereikbaar ver achter de muur, als door een raam gezien. ‘Ik dank dat u gekomen bent!’ zei mevrouw Demant. ‘Ik kom afscheid nemen,’ antwoordde Trotta. Mevrouw Demant hief haar bleke gezicht op. De luitenant zag de mooie, grijze, stralende glans van haar grote ogen. Ze waren recht op zijn gezicht gericht, twee ronde lichten van glanzend ijs. In de winterse namiddagschemering van de kamer brandden alleen de ogen van de vrouw. De blik van de luitenant vluchtte naar haar smalle, witte voorhoofd en verder naar de muur, naar het verre portret van de dode man. De begroeting duurde veel te lang, het werd hoog tijd dat mevrouw Demant hem verzocht te gaan zitten. Maar ze zei niets. Intussen voelde hij hoe de duisternis van de naderende avond door het raam viel en hij was zo bang als een kind dat in dit huis nooit een licht aangestoken zou worden. Geen passend woord kwam de luitenant te hulp. Hij hoorde de zachte ademhaling van de vrouw. ‘wat staan we hier toch,’ zei ze eindelijk. ‘Laten we gaan zitten!’ Ze gingen tegenover elkaar aan tafel zitten. Daar zat Carl Joseph zoals ooit bij wachtmeester Slama, met de deur in zijn rug. En net als toen voelde hij de deur als een bedreiging. Van tijd tot tijd leek hij zomaar geruisloos open te gaan en even geruisloos weer dicht. Donkerder kleurde zich de schemering. De zwarte japon van mevrouw Eva Demant vloeide erin over. Nu was ze gekleed door de schemering zelf. Haar witte gezicht zweefde naakt, ontbloot op het donkere oppervlak van de avond. Verdwenen was het portret van de dode man aan de muur tegenover hem. ‘Mijn man,’ zei de stem van mevrouw Demant in de duisternis. De luitenant kon haar tanden zien blinken; ze waren witter dan haar gezicht. Allengs onderscheidde hij ook weer de stralende glans van haar ogen. ‘U was zijn enige vriend! Hij heeft het vaak gezegd! Hij had het zo vaak over u! Als u dat eens wist! ik kan niet begrijpen dat hij dood is. En’- ze fluisterde -‘dat ik daaraan schuldig ben!’
‘Ik draag de schuld!’ zei de luitenant. Zijn stem was zeer luid en hard en klonk hem zelf vreemd in de oren. Het was geen troost voor de weduwe Demant. ‘Ik draag de schuld!’ herhaalde hij. ‘Ik had u voorzichtiger naar huis moeten brengen. Niet langs het casino.’
De vrouw begon te snikken. Hij zag haar bleke gezicht, dat zich steeds dieper over de tafel boog, als een grote, witte, ovale, langzaam omlaagzakkende bloem. Plotseling verschenen links en rechts haar witte handen, ze namen het omlaagzakkende gezicht in ontvangst en vlijden het neer. En daarna was er een tijdlang, een minuut en nog een, niets anders te horen dan het gesnik van de vrouw. Een eeuwigheid voor de luitenant. Ik moet opstaan en haar laten huilen en weggaan, dacht hij. Hij stond inderdaad op. Meteen vielen haar handen op tafel. Met een rustige stem, die schijnbaar uit een andere keel kwam dan het gesnik, vroeg ze: ‘Waar gaat u heen?’
‘Het licht aansteken!’ zei Trotta.
Ze stond op, liep om de tafel, rakelings langs hem heen. Hij rook een zacht vleugje parfum, weg was het, opgelost. Het licht was fel; Trotta dwong zichzelf recht in de lampen te kijken. Mevrouw Demant hield haar hand voor haar ogen. ‘Doe het licht boven de console aan,’ beval ze. De luitenant gehoorzaamde. Ze wachtte bij de deur, met haar hand boven haar ogen. Toen het kleine lampje onder de zachte, goudgele kap brandde, knipte ze de plafondlamp uit. Ze nam haar hand van haar ogen zoals een vizier wordt afgenomen. Ze zag er weer resoluut uit in haar zwarte japon, met haar bleke gezicht, dat ze naar Trotta ophief. Vertoornd en dapper was ze. Op haar wangen zag hij de kleine sporen van opgedroogde tranen. Haar ogen straalden, zoals altijd.
‘Ga daar zitten, op de divan!’ beval mevrouw Demant. Carl Joseph ging zitten. De behaaglijke kussens gleden van alle kanten, van de leuning, uit de hoeken, arglistig en behoedzaam tegen de luitenant aan. Hij voelde dat het gevaarlijk was om hier te zitten, schoof resoluut naar de uiterste rand, legde zijn handen op de korf van zijn sabel, die hij tussen zijn benen had gezet, en zag mevrouw Eva komen. Ze leek de gevaarlijke bevelhebber van al die kussens en bekledingen. Aan de muur, rechts van de divan, hing het portret van zijn dode vriend. Mevrouw Eva ging zitten. Een zacht kussentje lag tussen hen in. Trotta verroerde zich niet. Zoals altijd wanneer hij geen uitweg zag uit een van de talrijke, pijnlijke situaties waarin hij verzeild placht te raken, stelde hij zich steeds voor dat hij wel in staat was om weg te gaan.
‘U wordt dus overgeplaatst?’ vroeg mevrouw Demant.
‘Ik laat me overplaatsen!’ zei hij, met zijn blik op het tapijt, zijn kin in zijn handen en zijn handen op de korf van de sabel.
‘Moet dat?’
‘Ja, dat moet!’
‘Dat spijt me! Dat spijt me zeer!’
Mevrouw Demant zat, net als hij, met haar ellebogen op haar knieën, haar kin in haar handen en haar blik op het tapijt gericht. Ze wachtte waarschijnlijk op een woord van troost, op een aalmoes. Hij zweeg. Hij genoot van het heerlijke gevoel de dood van zijn vriend door zijn wrede zwijgen op een verschrikkelijke manier te wreken. Er schoten hem verhalen te binnen over gevaarlijke, kleine, mooie vrouwen die mannen vermoordden, verhalen die in de gesprekken van zijn kameraden steeds terugkeerden. Zij behoorde hoogstwaarschijnlijk tot de gevaarlijke categorie van de zwakke moordenaressen. Hij moest proberen zich ogenblikkelijk aan haar macht te onttrekken. Hij maakte zich gereed om weg te gaan. Op dat moment veranderde mevrouw Demant van tactiek. Ze nam haar handen van haar kin. Haar linkerhand begon zacht en systematisch het zijden galon glad te strijken waarmee de divan was afgezet. Haar vingers volgden het smalle, glanzende pad dat van haar naar luitenant Trotta leidde, op en neer, regelmatig en langzaam. Ze slopen in zijn gezichtsveld, hij wou dat hij oogkleppen droeg. De witte vingers verwikkelden hem in een zwijgend gesprek, dat onmogelijk kon worden afgebroken. Een sigaret opsteken; een uitstekend idee! Hij haalde zijn sigarettenetui tevoorschijn, de lucifers. ‘Geef mij er een!’ zei mevrouw Demant. Hij moest haar aankijken toen hij haar vuur gaf. Hij vond het ongepast dat ze rookte, alsof nicotinegenot tijdens de rouw verboden was. En de manier waarop ze de eerste trek deed, waarop ze haar lippen rondde tot een kleine, rode kring waaruit de ijle, blauwe wolk kwam, was overmoedig en verdorven.
‘Hebt u een idee waarheen u wordt overgeplaatst?’
‘Nee,’ zei de luitenant, ‘maar ik zal mijn best doen om heel ver weg te gaan!’
‘Heel ver? Waarheen bijvoorbeeld?’
‘Misschien naar Bosnië.’
‘Denkt u dat u daar gelukkig kunt zijn?’
‘Ik denk niet dat ik ergens gelukkig kan zijn!’
‘Ik hoop dat u het wordt!’ zei ze snel, heel snel, naar het Trotta voorkwam.
Ze stond op, kwam terug met een asbak, zette hem op de grond tussen hen in en zei: ‘Wij zullen elkaar dus waarschijnlijk nooit meer zien!’
Nooit meer! Het woord, het gevreesde woord, de oeverloze, dode zee van de lege eeuwigheid! Nooit meer zou hij Katharina zien, dokter Demant, deze vrouw! Carl Joseph zei: ‘Waarschijnlijk niet! Helaas!’ Hij wilde eraan toevoegen: ook Max Demant zal ik nooit meer zien! Weduwen moeten verbrand worden! een van de vermetele uitspraken van Taittinger, schoot hem op hetzelfde moment door het hoofd.

Pagina 135 – 139.
Een lang fragment. Maar schitterend geschreven.
Hier zijn Joseph Roth en de vertaler op stoom.

Advertenties