Verslag van een reis door Noord India

In 1823, op 16 juni om precies te zijn,
vertrok Reginald Heber met vrouw en kind vanuit Engeland
naar Calcutta (Kolkata).
Hij was aangesteld als Anglicaans bisschop voor Calcutta.
Dat bisdom omvatte het grootste deel van India, Ceylon,
Australie en delen van zuidelijk Afrika.
Er was dus wel iemand nodig die bereid was om te reizen.

Na zijn dood op 3 april 1826, gaf zijn vrouw,
in drie delen, zijn reisverslag en een deel van zijn correspondentie uit.
De eerste ditie is uit 1827.
Ik kocht onlangs een herdruk uit 1985.

 photo DSC_7691ReginaldHeberNarrativeOfAJourneyThroughTheUpperProvincesOfIndiaVolumeIFirstPublished1827Reprint1985PublishedInIndiaByBRPublishingCorporationDelhi.jpg

Reginald Heber, Narrative of a journey through the upper provinces of India, Volume I, first published 1827, reprint 1985, published in India by BR Publishing Corporation in Delhi.


Het deel dat ik nu lees is de introductie die gaat
over de vier maanden (!) lange bootreis van Engeland
naar India.

In het boek leren we ook zijn gezin kennen. Op dat moment heeft hij 1 dochter.
De inleiding beschrijft de praktijk op schepen, om brieven mee te geven
aan tegemoet komende Engelse schepen, met het verzoek de brieven te posten
als de boot in Engeland aankomt.
Om brieven en andere goederen uit te wisselen werd er een sloep
van de ene naar de andere boot gestuurd.
Op een keer gaat Heber met die sloep mee en dan schrijft hij bijvoorbeeld:

On returning to the Grenville I saw my little girl at one of the cabin windows, who shewed great delight in recognizing me.
She had been much distressed at seeing me go off in the boat, and twice began crying.
All this, which, I trust, may be considered as indications both of intelligence and affection, interests me so much that I cannot help writing it down, in the hope that I may read it with increased interest and pleasure one day when her matured good qualities may fulfill the present hopes of her parents, and give those parents a daily increasing motive for gratitude to Him who has lent her to them.
Dear little thing!
I did not suppose, before I possessed her, how closely a child of her age can entwine itself round the heart.

Reginald Heber, pagina XLVIII.

Nederlandse samenvatting:
Terwijl we terug varen naar de Grenville (de boot) zie ik mijn kleine meid
door een van de raampjes van de hut.
Bij mijn vertrek was ze zeer ongerust en moest tot twee keer huilen.
Ik ga er van uit dat dit tekenen van intelligentie en genegenheid zijn.
Het hield me zo bezig dat ik het op moest schrijven zodat ik later
met nog meer interesse en plezier, dit nog eens mag lezen,
om mij en mijn vrouw extra dankbaar voor God te maken.
Ik had me nooit gerealiseerd, voordat ik haar kreeg,
hoe een dergelijk klein kind, je hart kan omwikkelen.

Heber probeert Hindoestaans te leren uit een boek en oefent
door het maken van vertalingen.
In zijn boek (Gilchrist’s Hindoostanee Guide) staat een
vertaling maar Heber vindt dat hij dat beter kan.
Dit is zijn poging:

Sonnet by the late Nawab of Oude
Asuf Ud Dowla (Asaf-ud-Daula)

In those eyes the tears that glisten as in pity for my pain,
Are they gems, or only dew-drops? can they, will they long remain?

Why thy strength of tyrant beauty thus, with seeming ruth, restrain?
Better breathe my last before thee, than in lingering grief remain!

To yon Planet, Fate has given every month to wax and wane;
And—thy world of blushing brightness—can it, will it, long remain?

Health and youth in balmy moisture on thy cheek their seat maintain;
But—the dew that steeps the rose-bud—can it, will it long remain?

Asuf! why, in mournful numbers, of thine absence thus complain,
Chance had joined us, chance has parted!—nought on earth can long remain.

In the world, may’st thou, beloved! live exempt from grief and pain!
On my lips the breath is fleeting, can it, will it long remain?

Reginald Heber, pagina XLIX

Ik waag me niet aan een vertaling.

Advertenties